literatuur

Voorbij bladzij twintig

Portrait of a smiling student against bookshelf looking for a book at the library.

Ik zag laatst Jeroen Brouwers. Hij zat een beetje onderuitgezakt in de kringloopwinkel en op zijn rug met leesplooi stond dat hij voor een euro te koop was.

Ik keek verder.
‘Je vindt me maar niks zeker?’ vroeg Brouwers.
Ik zette hem rechtop. Dat praat wat makkelijker.

‘Het spijt me,’ lichtte ik toe, ‘maar ik ben niet zo van de grote literatuur. Het is allemaal zo ernstig, en er gebeuren allemaal erge dingen. Ruzies en rampen en zo.’
Brouwers keek verongelijkt. ‘Tja, mijn werk is ook maar een weerspiegeling van het leven. Het spijt me als je dat niet bevalt.’
‘Niet altijd’ zei ik voorzichtig. ‘Daarom vind ik het prettig om te lezen, ziet u. Kan ik even in een wereld wonen die een beetje mooier is.’

Een beetje verderop stond Kristien Hemmerechts. Ze mengde zich in ons gesprek. ‘Begrijp je dan niet,’ zei ze hoofdschuddend, ‘dat literatuur in de eerste plaats bedoeld is om het bewustwordingsproces van de lezer te versnellen, hem in contact te brengen met een realiteit die zich vaak buiten zijn eigen sociaal-economische omgevingsfactoren afspeelt en hem zo een breder perspectief te bieden waardoor de kans toeneemt dat hij handelt op een dusdanige wijze dat hij de maatschappij voor iedereen een beetje beter maakt?’

‘Ik lees gewoon voor de lol’ zei ik.
Brouwers zuchtte. Hemmerechts keek verontwaardigd. ‘Eigenlijk zou ik je gewoon de rug moeten toekeren’ beet ze me toe.
Ik tikte op de kaft. ‘Dat is al het geval’ zei ik.

Hemmerechts zweeg. Brouwers probeerde het nog eens. ‘Kijk, die Nederlandstalige literatuur, daar zitten werkelijk prachtige boeken tussen. Als ik voor mezelf mag spreken, mijn laatste roman…’
Het hout’ zei ik.
Brouwers keek verheugd op. ‘Je kent het!’
‘Snel gegoogeld’ antwoordde ik.

Brouwers mompelde iets onverstaanbaars en ging verder. ‘Nu ja, ‘Het hout’ dus. Dat begint helemaal niet zo ernstig als jij lijkt te denken. De eerste twintig pagina’s spat de levensvreugde van de bladzijden. En dat dan in Nederlands dat, als je me toestaat, bepaald niet onaardig is.’
‘En na de eerste twintig bladzijden?’ vroeg ik achterdochtig.

Brouwers maakte een achteloos wegwuifgebaar. ‘Als je je nu eerst eens op die twintig bladzijden concentreert, dat lijkt me een goed begin voor je. Eventueel kan je ook de laatste bladzijde lezen, 354. Daar staat een mopje.’
Even wilde ik vragen wat er tussen bladzijde 21 en 353 zoal gebeurde, maar het middelbaar onderwijs heeft me voldoende literatuurkennis meegegeven om de risico’s daarvan in te zien. Ik besloot het niet te doen.  

‘Zeg eens,’ vroeg Brouwers, ‘hebben wij als ernstige schrijvers ook nog wat aan het verhaaltje dat je nu aan het bedenken bent, of is het alleen maar voor jezelf?’
‘Dat laatste’ zei ik eerlijk. ‘En eventueel voor anderen die het ook willen lezen, maar zo veel stelt dat allemaal niet voor.’

‘Hmm’ zei Brouwers. ‘Zit er nog iets bij van een traumatische jeugd, een slecht huwelijk, psychische problemen en dergelijke? Of moet het alleen maar grappig zijn?’
‘Dat is wel de bedoeling’ antwoordde ik voorzichtig.

‘Dan hebben wij elkaar verder niets meer te zeggen’ besloot Brouwers. En hij zakte weer onderuit.

4 Comments

  1. 1
  2. 2
  3. 3
  4. 4

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>